***
Er wordt momenteel nog hard gewerkt om dit hoofdstuk aan te passen aan de Belgische situatie.
***

2.2.4 LUCHTZIEKTE EN RUIMTELIJKE DESORIËNTATIE

Als passagier heb ik een keer een aantal kunstvluchtoefeningen achterelkaar vanaf 1000 m hoogte meegemaakt. Na een aantal vrilleslagen, loopings, hoge bochten e.d. raakte ik gedesoriënteerd. Na de vlucht ben ik een paar uur misselijk geweest. De volgende dag heb ik opnieuw zo'n kunstvlucht gemaakt, maar nu stuurde ik zelf, wist ik steeds de positie van het vliegtuig en was er niets aan de hand.

 

Luchtziekte ontstaat, net als zeeziekte, door een ongebruikelijke manier van bewegen. De informatie die ons lichaam krijgt van de ogen, de evenwichtsorganen en het gevoel kloppen niet met wat we gewend zijn. Dit veroorzaakt misselijkheid. Door gewenning hebben vliegers geen last meer van de bekende vliegbewegingen, maar stappen ze dan een keer bij iemand in als passagier die vliegbewegingen maakt die ze niet verwachten en waarbij ze hun oriëntatie kwijtraken, dan  zijn de symptomen van luchtziekte weer aanwezig.

Ruimtelijke desoriëntatie wil zeggen dat je niet meer weet, of niet door hebt, hoe de stand van het vliegtuig ten opzichte van de horizon is en welke kant het uit beweegt. Wat je ziet en wat je evenwichtsorgaan laat voelen klopt niet. Je wordt luchtziek. Je voelt je maag, wordt misselijk, bleek om het gezicht, je krijgt koud zweet op het gezicht en soms moet je zelfs overgeven.

Beginnende zweefvliegers hebben vaak last van luchtziekte. Daarom wordt er bij de eerste starts heel beheerst gevlogen en bij eventuele thermiek wordt heel vlak gedraaid. Na een paar vluchten verdwijnt bij de meeste mensen het gevoel van luchtziekte. Het lichaam went aan de bewegingen van de kist.

Om luchtziekte tegen te gaan, moet je vaker gaan vliegen, de bewegingen van het hoofd beperken, geen snelle bewegingen met het hoofd maken, naar een punt in de verte kijken en zeker 24 uur voor de vlucht geen alcohol gebruiken. Wie te veel gedronken heeft, krijgt een hoog alcoholpercentage in het bloed. Daardoor komt er alcohol in de vloeistof die in de halfcirkelvormige kanalen van het oor zit. Alcohol is lichter dan water en dat geeft een licht gevoel in het hoofd. Het voelt alsof je draait. De effecten van alcohol zijn dagen later nog aanwezig. 

De wisselwerking tussen zien, evenwicht, propriocepsis (het gevoel van 'the seat of the pants') en gehoor bij het verkrijgen van ruimtelijke oriëntatie tijdens het vliegen

Voor gewoon rechtop lopen en voor het bepalen van de stand van het zweefvliegtuig in de lucht, gebruikt het lichaam 3 systemen: 

  1. De ogen, het visuele systeem. Met de ogen bepalen we de positie van het zweefvliegtuig ten opzichte van de horizon.

  2. Het evenwichtsorgaan in het oor, het vestibulaire systeem. Organen in het binnenste van het oor die het lichaam in balans houden.

  3. Het gevoel, het somatosensorische systeem - het gevoel van 'the seat of the pants' - De zenuwen in de huid, de spieren en de gewrichten, bepalen samen met het gehoor en het gevoel van de zwaartekracht onze positie.

Al deze informatie komt bij elkaar in de hersenen en daar krijgen we als we, met twee benen op de grond staan, een duidelijk beeld hoe en waarheen ons lichaam beweegt.

Ons lichaam is niet gemaakt om te vliegen. Het lichaam kan geen onderscheid maken tussen versnellingskrachten als gevolg van de zwaartekracht en versnellingskrachten als een gevolg van het manoeuvreren van het vliegtuig. Daardoor kan het lichaam verkeerde informatie geven over de beweging die het vliegtuig maakt. Zodra de invoer van de 3 systemen niet meer matchen, niet meer geheel correct is, of tegenstrijdig is, is er sprake van ruimtelijke desoriëntatie. Veel dodelijke ongevallen in de luchtvaart ontstaan door desoriëntatie als gevolg van vliegen bij slecht zicht.

Hoe kan ruimtelijke desoriëntatie ontstaan door incongruentie (niet overeenstemmen) van zintuiglijke waarneming en informatieverwerking?

Wat je ziet en wat je evenwichtsorgaan laat voelen, dat klopt niet. Er is geen juiste match tussen de drie systemen die voor het evenwicht zorgen.

Het visuele systeem

Bij vliegen maken we, om ons te oriënteren, voor 90% gebruik van onze ogen. Soms krijgen onze hersenen tegengestelde of foutieve informatie en dan ontstaat ruimtelijke desoriëntatie.

 

Een wolk die aan een kant lager is, kan er voor zorgen dat we, zonder dat we het in de gaten hebben, niet meer horizontaal vliegen, maar evenwijdig aan de wolk. Buitenlanden in een veld dat dwars op de landingsrichting oploopt, kan er voor zorgen dat we de helling als horizon gebruiken en feitelijk met dwarshelling vliegen.  

Het somatosensorische systeem

Het vermogen om min of meer aan te voelen hoe ons lichaam zich in de ruimte bevindt. Het somatosensorische systeem zendt signalen uit de huid, gewrichten en spieren naar de hersenen en die worden daar geïnterpreteerd in relatie tot de normale zwaartekracht van de aarde. Het gevoel in ons achterste ('the seat of the pants') vertelt ons, vaak al voor de variometer, dat we een thermiekbel binnenvliegen. Zo kunnen we op de medische keuring met de ogen dicht onze wijsvinger naar de neus brengen. Wanneer we een wolk in vliegen hebben we niets aan dit systeem en geeft het ons zelfs foutieve informatie. Vertrouw dus nooit op je gevoel bij slecht zicht. Nog beter, ga nooit zonder zicht of met heel slecht zicht vliegen. In de flarden van een wolk vliegen of er in vliegen, levert niet alleen botsingsgevaar op maar ook de kans dat je er gedesoriënteerd uit komt. Respecteer de beperkingen van je lichaam.

Het vestibulaire systeem

Het vestibulaire systeem (de drie halfcirkelvormige kanalen met vloeistof) in onze beide oren, registreert beweging en bepaalt mede onze oriëntatie in de ruimte. Zo lang we zicht op de horizon hebben en daardoor de positie van het vliegtuig in de ruimte kunnen bepalen, helpt het vestibulaire systeem ons om rollen, draaien of stampen te herkennen. Zonder zicht kan het lichaam de positie van het vliegtuig niet bepalen en geeft ons gevoel foutieve informatie.  

Het begrip ‘ruimtelijke desoriëntatie’ 

Wanneer onze zintuigen tijdens het vliegen verkeerde of tegengestelde informatie aan ons geven, ontstaat ruimtelijke desoriëntatie. Bij vestibulaire illusie wordt de verkeerde informatie door het evenwichtsorgaan veroorzaakt.

Vormen van desoriëntatie

Er wordt onderscheidt gemaakt in twee vormen van desoriëntatie. Type 1: de vlieger heeft niet door dat wat hij waarneemt niet overeenkomt met de werkelijkheid. Type 2: De vlieger heeft het wel door.

Vestibulaire illusies gerelateerd aan mogelijke problemen tijdens de vlucht en de zich daarbij voordoende risico’s

Wanneer je met de ogen dicht op een draaistoel wordt rondgedraaid, dan voel je dat het draaien begint. Na een poosje draaien met dezelfde draaisnelheid voel je niet meer dat je draait. Wordt de draaiing gestopt dan heb je het gevoel (de illusie) dat je draait.

Voorbeelden van vestibulaire illusies zoals coriolis-, somatogyrale, somatogravische, en versnellingsillusies alsmede de inversie-illusie en de 'leans'

Coriolis-illusie Deze draai-illusie ontstaat als een piloot al een tijdje een bocht maakt. De vloeistof in het oor is dan weer tot rust gekomen. Wanneer hij nu plotseling zijn hoofd draait en bijvoorbeeld iets opzoekt in het zijvakje van het zweefvliegtuig, kan de vloeistof in beweging komen en dit geeft de vlieger de indruk dat het toestel in een andere richting beweegt terwijl dat in werkelijkheid niet zo is. Door jezelf aan te leren om geen snelle draaibewegingen met het hoofd te maken, kun je dit voorkomen.

Bij de oefening vrille heeft het geen enkel nut om een aantal slagen draaiend naar beneden te gaan. Een kwartslag is voor de oefening al voldoende. Het gaat er bij de oefening om, om de situatie vlak voor de vrille te herkennen en zodra de vrille wordt ingezet deze veilig te beëindigen.

 

Kerkhof spiraal (graveyard spiral) Eén keer heb ik iemand een oefening vrille in een B4 zien maken. De B4 staat erom bekend dat je er heel goed vrilles mee kunt oefenen. De solist maakte een aantal draaiingen achter elkaar. Op zo'n 300 meter beëindigde hij de draaiing. Het toestel kwam even in gewone horizontale vlucht en viel direct weer in een vrille. Op 100 meter boven de grond werd die vrille gelukkig beëindigd. 

Tijdens het draaien komt het stromen van de endolymfe weer tot stilstand. Door het stoppen van de draaibeweging komt het stromen weer op gang en de piloot heeft het gevoel dat het draaien nog niet gestopt is. Het vliegtuig draait niet meer maar de vlieger heeft de illusie dat het draait. Wanneer je door roeruitslagen probeert om dit gevoel van draaien te stoppen, dan kun je in een vrille over de andere vleugel vallen. Dit heet de graveyard spiral, de kerkhofspiraal. Deze naam is niet helemaal correct want het is meestal geen spiraalduik maar een vrille.

Na dit voorval heeft de club besloten om de oefening vrille alleen nog maar boven de 500 meter te oefenen.

Het oefenen van de vrille en de spiraalduik is niet iets om bang voor te worden. Integendeel. Door dit geregeld te oefenen, weet je dat je moet vertrouwen op je ogen en niet moet reageren op wat je voelt. Dit maakt direct ook duidelijk dat je deze oefeningen alleen bij goed zicht met een duidelijke horizon moet doen.

 

Somatogravische illusies worden ook wel stijg-en daalillusies genoemd. Het bepalen van de positie van het vliegtuig in de ruimte doen we vooral met onze ogen en in mindere mate met ons evenwichtsorgaan. De otolietorganen in het evenwichtsorgaan registreren versnelling en vertraging. Bij een versnelling of een vertraging  begint de vloeistof in die organen te stromen. De haarcellen in de otolietorganen registreren dit en geven dat door aan de hersenen.

Een versnelling geeft hetzelfde gevoel als wanneer we het hoofd achterover doen. Bij het versnellen tijdens het begin van een lierstart ervaart de vlieger een gevoel alsof hij achterover valt en heeft de illusie dat de neus van het zweefvliegtuig omhoog komt. Zijn ervaring en zijn ogen zorgen ervoor dat hij niet verkeerd op dit gevoel reageert. Tijdens een kabelbreuk in die fase van de start zal het vliegtuig snelheid verminderen. De vlieger ervaart met zijn evenwichtsorgaan dat hij naar voren valt, heeft de illusie dat de neus van het toestel valt. Ook nu moet hij op zijn ogen en snelheidsmeter vertrouwen, want anders trekt hij de neus omhoog en volgt er een overtrokken situatie.

Het gevoel van helling terwijl je horizontaal vliegt (somatogyrale- illusie)

Dit kan ontstaan als je vrij lang een bocht maakt. De vloeistof in je oor komt tijdens het maken van die bocht weer tot rust. Wanneer je daarna het toestel weer horizontaal legt, dan komt de vloeistof weer in beweging en heb je het gevoel dat je niet horizontaal vliegt. Door één blik naar de horizon weet je dit gevoel na een paar keer vliegen al te onderdrukken. Bij slecht zicht of vliegen in de flarden van een wolk raak je gedesoriënteerd en geef je helling terwijl dat niet moet.

Tegenleunen, (leans) 

Dit kan ontstaan wanneer we lang op de kaart kijken en onbewust ondertussen een heel flauwe rolbeweging maken. Zo'n flauwe rolbeweging brengt de vloeistof in de half cirkelvormige kanalen in ons oor niet in beweging. De rolbeweging blijft onder de waarnemingsdrempel. Wanneer je dan naar buiten kijkt, de rolbeweging constateert en snel weer corrigeert, dan komt de vloeistof wel in beweging en ervaar je dat als rollen. Wanneer de vleugels weer horizontaal op de horizon zijn, dan heeft de vlieger het gevoel dat hij daar tegenin moet leunen.

Inversie illusie (op de kop illusie)

Wanneer je na een lange lierstart snel bijdrukt naar normale vliegtoestand (neus iets onder horizon) dan kun je het gevoel hebben dat je op de kop draait. Inversie illusie. Wanneer de vlieger gevoelig is voor negatieve G-krachten dan kan dit tot paniek leiden. Zie: negatieve G. Ook hier geldt weer dat veel oefenen leidt tot juist reageren op wat we zien en voelen.

De illusies van proprioceptieve input (Seat-of-the-Pants-Sense) gerelateerd aan mogelijke problemen tijdens de vlucht en de zich daarbij voordoende risico’s

Proprioceptie is een feedback mechanisme, gevoed door gespecialiseerde zenuwuiteinden in huid en spieren, dat informatie levert voor het sturen van bewegingen. Het somatosensorische systeem zendt signalen uit de huid, gewrichten en spieren naar de hersenen en die worden daar geïnterpreteerd in relatie tot de normale zwaartekracht van de aarde. Het gevoel in ons achterste vertelt ons vaak al voor de variometer dat we een thermiekbel binnen vliegen.

Waarom is proprioceptieve input volkomen onbetrouwbaar als zicht op de grond ontbreekt?

We bepalen vooral met de ogen (zicht op de horizon) de positie en de beweging van het vliegtuig. Zolang we zicht op de horizon hebben kunnen we proprioceptieve input goed verwerken. Bij geen zicht geven ze ons misleidende informatie.

Het begrip flicker-vertigo (lichtflitsduizeligheid) en hoe het voorkomen kan worden

Reflectie van lichtflitsen in het gezicht. Een lichte flikkering van 4 tot 20 keer per seconde kan leiden tot misselijkheid, braken en heel soms tot bewusteloosheid.

Visuele problemen die zich kunnen voordoen bij knipperende lichten (strobe-lights, anti-collision lights, etc.) Leer een scanmethode aan waarbij je niet constant in dezelfde richting kijkt. Vermijdt het langdurig kijken naar knipperende lichten

Maatregelen ter voorkoming en/of ondervanging van ruimtelijke desoriëntatie en/of vertigo tijdens het vliegen

Een vlieger moet leren om tijdens het vliegen het luchtruim te scannen met zijn ogen en niet snelle draaibewegingen met het hoofd te maken. Tijdens het begin van de lierstart (tijdens het accelereren) kijk je naar de horizon om het zweefvliegtuig horizontaal te houden. Een snelle draai met het hoofd om te zien of de tip van de vleugel hoog genoeg boven het gras staat, kan tijdens het versnellen een draai-illusie veroorzaken. In de tweezitter kun je met een instructeur oefeningen doen om ruimtelijke desoriëntatie te ervaren.

Luchtziekte en de symptomen

Luchtziekte wordt veroorzaakt door (onnatuurlijke) bewegingen van het vliegtuig waardoor je je misselijk kunt gaan voelen. Symptomen kunnen zijn: hoofdpijn, bleke huidskleur, zweten, braken, vermoeidheid.

Maatregelen om luchtziekte te voorkomen en/of de verschijnselen te verminderen

  1. Naar de horizon kijken De eerste vluchten wanneer iemand nog moet wennen aan het zweefvliegen wordt heel rustig en alleen met flauwe bochten gevlogen. Het helpt om een leerling of passagier naar de horizon te laten kijken. Wijs op dingen in de verte en vraag niet de aandacht voor iets dat vlak onder het vliegtuig op de grond te zien is.
  2. Beperk hoofdbewegingen Natuurlijk moet je je hoofd bewegen om goed uit te kijken, maar probeer tijdens het begin van een lierstart of bij het maken van bochten geen snelle draaibewegingen met het hoofd te maken. Wanneer je van de vliegkaart opkijkt, het hoofd draait om naar buiten te kijken dan kan dat een sterke draaisensatie veroorzaken.
  3. Oefenen helpt Vliegers wennen vrij snel aan de bewegingen van het vliegtuig en ervaren dan helemaal geen luchtziekte meer. 
  4. Medicijnen Middelen tegen reisziekte helpen passagiers ook tegen luchtziekte. Deze middelen mogen niet door vliegers gebruikt worden omdat de bijwerkingen, sufheid en slaperigheid, je ongeschikt maken om een vliegtuig te besturen.  

Dirk Corporaal, laatste update 4-1-2014