***
Er wordt momenteel nog hard gewerkt om dit hoofdstuk aan te passen aan de Belgische situatie.
***

3.8 KLIMATOLOGIE

Het klimaat is het weer bekeken over een lange periode. Het klimaat in een gebied op aarde wordt voor een groot deel bepaald door de ligging. Gebieden waar de zon loodrecht boven staat, zoals de tropen, worden heet en de polen zijn koud. Dit hoofdstuk is onderverdeeld in:

  • 3.8.1 TYPISCHE WEERSITUATIES BIJ DE MIDDELSTE BREEDTEGRADEN 
  • 3.8.2 HET WEER IN HOGEDRUKGEBIEDEN
  • 3.8.3 LOKALE WEERVERSCHIJNSELEN

3.8.1 TYPISCHE WEERSITUATIES BIJ DE MIDDELSTE BREEDTEGRADEN

Klimatologie bestudeert het gemiddelde weer over vele jaren. Daarvoor is het nodig dat jarenlang de gegevens verzameld worden van: de temperatuur, de neerslag, de wind, de windrichting, de vochtigheid, aantal uren zonneschijn, de bewolking enzovoort.  Ook de aanwezigheid van bergen, de invloed van golfstromen en de luchtcirculatie rond de aarde beïnvloedt het klimaat in een bepaald gebied. Je kunt het klimaat indelen in:

  • tropisch klimaat
  • gematigd klimaat
  • poolklimaat

Ons weer speelt zich af tussen de middelste breedtegraden. Wij kennen in Europa vier seizoenen met een groot verschil tussen de temperatuur in de zomer en in de winter en in bijna alle seizoenen ongeveer evenveel neerslag. De verschillen in temperatuur zijn in de landen die aan zee liggen, zoals Nederland, veel kleiner. Door de invloed van de warme golfstroom kennen wij zachte winters en koele zomers.

Wij hebben een zeeklimaat. Landen die verder van de zee af liggen, hebben een landklimaat. Daar speelt de eventuele aanwezigheid van bergen een grote rol.

Gemiddelde temperatuur van Nederland (afb. van KNMI-klimaatatlas)

In de bergen heb je geregeld snel wisselende weersomstandigheden. Lage temperaturen, harde wind en veel neerslag zijn kenmerkend voor een bergklimaat. De lage temperaturen ontstaan door de hoogte van de bergen. Op een hoogte van 2000 m is de temperatuur 13 graden lager dan op zeeniveau. Wanneer de wind over een berg wordt gestuwd, krijg je boven de berg een venturi effect. De wind waait daar veel harder dan op het vlakke land. Aan de windzijde van de berg condenseert de lucht geregeld tijdens het stijgen en geeft vaak neerslag.

Ook de ligging van Nederland op de 52ste breedtegraad speelt een grote rol. Daardoor hebben wij geregeld te maken met zuidwesten wind en de aanvoer van de ene depressie na de andere. Het regent in ons land zo'n 600 uren per jaar. Dat zorgt voor veel neerslag, ongeveer 88 cm per jaar. Vergeleken met de natste plaatsen op aarde valt dat mee, daar regent het wel vijf keer zoveel per jaar.

3.8.2 HET WEER IN HOGEDRUKGEBIEDEN

Bij de evenaar bevinden zich de tropische regenwouden, daar stijgt de warme lucht tot aan de stratosfeer en veroorzaakt veel neerslag. De lucht stroomt daar op grote hoogte richting de polen.

Bij de 30ste breedtegraad daalt de lucht. De lucht wordt tijdens het dalen 1°C per 100 m warmer en kan veel waterdamp bevatten. Daar ontstaat een permanent hogedrukgebied met een subtropisch klimaat. In de Sahara en landen zoals Egypte regent het soms jaren achterelkaar niet.

Door de algemene luchtcirculatie rondom de aarde kennen we gebieden met permanente hogedruk bij de subtropen en bij de polen. Globaal gezien ziet dat eruit zoals op de afbeelding is weergegeven maar o.a. door de wisseling van de seizoenen verschuiven deze zones en zo kennen we:

  • gebieden met hogedruk die vrijwel het hele jaar droog zijn zoals bij de polen en de subtropen,
  • gebieden waar het het hele jaar door geregeld regent zoals de gebieden bij de middelste breedtegraden, 
  • gebieden waar het zomers overwegend droog is en 's winters nat 
  • gebieden waar het zomers geregeld regent en 's winters overwegend droog blijft. 

3.8.3 LOKALE WEERVERSCHIJNSELEN

  • Föhn,
  • Mistral, 
  • Sirocco 

Föhn
De föhn is een warme wind die vaak aan de noordzijde van de Alpen waait. Ook in andere berggebieden komt dit verschijnsel onder vaak andere namen voor. 

Bij 3.4.2 Orografische bewolking is reeds beschreven dat wanneer de wind tegen een berg aan waait, dat dan de lucht gedwongen wordt om omhoog te gaan. Daarbij koelt de lucht adiabatisch af (1 °C per 100 m). Komt de lucht onder het dauwpunt dan ontstaat bij de top van de berg een wolk. Bij de natadiabaat koelt de lucht veel minder dan 1 °C per 100 m af.  
 
Aan de lijzijde van de berg daalt de lucht weer, warmt 1 °C per 100 m op en de wolk lost weer op. Wanneer het regent aan de windzijde dan bevat de lucht aan de lijzijde minder waterdamp en komt het condensatieniveau aan die kant van de berg hoger te liggen. Daar is de lucht droger, warmer en de wolkenbasis hoger.

 

Mistral
De mistral is een harde en koude noord- tot noordwestenwind die gemiddelde windsnelheden bereikt van zo'n 50 kilometer per uur met windstoten van meer dan 100 kilometer per uur. Hij komt vooral voor in het gebied tussen de Alpen en de Pyreneeën. De mistral houdt meestal dagenlang aan en komt het vaakst voor in de winter en het voorjaar. Hij ontstaat wanneer koude poollucht ver zuidwaarts Europa in wordt gezogen door een lagedrukgebied boven de Golf van Genua. Wanneer het water van de Golf van Genua warmer is dan in de omringende gebieden, dan stijgt de warmere lucht op. Dat veroorzaakt een actief lagedrukgebied, het Genua-laag.

Sirocco
De sirocco is een zuidelijke wind, die hete droge lucht uit de Sahara naar het noorden voert. De lucht bevat zand en stof dat meestal in de landen rond de Middellandse Zee met regen naar beneden komt. Als de wind in een groot deel van Europa zuidelijk is kan het Saharazand soms ook in Nederland terecht komen. De sirocco waait met windsnelheden van bijna 100 km/h en komt het meest in de lente en de herfst voor.

 

Samengevat:

  • Het klimaat is het weer bekeken over een lange periode.
  • Landklimaat: midden Europa droog, hete zomers en koude winters.
  • Zeeklimaat: Nederland; nat, warme winters en koele zomers. Er ontstaan steeds weer depressies op de Oceaan en die trekken langs de kust naar Scandinavië.
  • Bergklimaat: Lage temperaturen, harde wind en veel neerslag.
  • Tropen: Daar stijgt de warme lucht tot aan de stratosfeer en veroorzaakt veel neerslag.
  • Subtropen: Bij de 30e breedtegraad daalt de lucht wordt warmer en kan veel waterdamp bevatten. Daar ontstaat een permanent hogedrukgebied. In de Sahara en landen zoals Egypte regent het soms jaren achterelkaar niet. Andere subtropische gebieden kennen natte en droge zomers en winters. 

  • De föhn is een warme wind die vaak aan de noordzijde van de Alpen waait
  • De mistral is een harde en koude noord- tot noordwestenwind die gemiddelde windsnelheden bereikt van zo'n 50 kilometer per uur met windstoten van meer dan 100 kilometer per uur. Hij komt vooral voor in het gebied tussen de Alpen en de Pyreneeën.
  • De sirocco is een zuidelijke wind, met windsnelheden van bijna 100 km/h, die hete droge lucht uit de Sahara naar het noorden voert. De lucht bevat zand en stof dat meestal in de landen rond de Middellandse Zee met regen naar beneden komt en soms ook in Nederland.